Er gaan heel wat mythes de ronde over hoogbegaafdheid, zo ook over uitzonderlijke hoogbegaafdheid – ook wel uitzonderlijk begaafd, UHB of hyperhoogbegaafd genoemd. In de Engelstalige literatuur wordt er verwezen naar respectievelijk highly-exceptionally and profoundly giftedness verwezen, high+ giftedness of highly-profoundly giftedness.
Kijken we puur naar de IQ-scores – maar dat is een enge versie om naar hoogbegaafdheid te kijken – dan is een hoogbegaafd kind een kind met een IQ van 130 en hoger. Uitzonderlijke hoogbegaafdheid kent in de Angelsaksische landen nog een verdere onderverdeling. Highly gifted begint bij een IQ-score van 140-145. Vervolgens is er exceptionally gifted, voor kinderen met een IQ van 160 en meer, en profoundly gifted voor kinderen met een IQ-score van 180 en meer (bron: davidsongifted.org). In België en Nederland kunnen we maar testen tot 145, het Nederlandstalige testpubliek is te klein om relevante testings te kunnen ontwikkelen. Daarom wordt vaak gesproken van 145+ voor uitzonderlijke hoogbegaafdheid.
Enkel naar IQ-scores kijken zorgt ervoor dat veel uitzonderlijk hoogbegaafde kinderen over het hoofd gezien worden: te ver denken, faalangst, presteren onder tijdsdruk, … het is niet bij ieder kind zo, maar het is wel mogelijk een probleem op een testing. Daarom kijken wij bij Talentvol ook naar andere kenmerken. Twee “hallmark traits” van uitzonderlijke hoogbegaafdheid zijn de overprikkelbaarheden en de asynchrone ontwikkeling.
Dabrowski omschreef overprikkelbaarheden of intensiteiten. Prikkels komen harder en dieper binnen bij onze kinderen, zijnde cognitief, emotioneel, zintuigelijk, imaginair of psychomotorisch (denk maar aan het niet kunnen stilzitten) (https://www.positievedesintegratie.nl>).
Deze overprikkelbaarheden verklaren het gedrag van onze kinderen en worden door professionals – naast asynchrone ontwikkeling – de “hallmark traits” (de belangrijkste kenmerken) van uitzonderlijke hoogbegaafdheid genoemd: het ‘flauw’ doen, het druk doen, het geïrriteerd worden op de kleinste geluidjes, de onstilbare drang naar kennis.
Dabrowski verklaart ook de existentiële depressies waar onze kinderen en jongeren mee worstelen: wat is het nut van mijn leven? Waarom leren mensen maar niet uit hun fouten? Wat doe ik hier?
De ontwikkeling van deze kinderen verloopt asynchroon. Ze ontwikkelen zich sneller in de verwachtingspatronen van vriendschappen, hebben een groter rechtvaardigheidsgevoel, kunnen systemisch denken (het grote geheel en de onderlinge verbindingen zien), en hebben een grote, nagenoeg onstilbare leerhonger. Je kind van 6 kan dus boeken lezen voor een 12-jarige, vragen stellen over de leerstof uit het middelbaar onderwijs, sociale verwachtingen voor een achtjarige hebben en de motorische vaardigheden van zijn leeftijd.
De meest aanvaarde definitie van hoogbegaafdheid is deze van de Columbus Group (1991):